klis
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een geslacht van planten uit de familie Asteraceae met stekelige, droge bloemen
- bloemhoofdje met stekels van zo'n plant
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor planten met stekelige, droge bloemen uit het geslacht Arctium in de familie Asteraceae
- bloemhoofdje met stekels van Arctium
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klissen
- gebiedende wijs van klissen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klissen
Vervoeging van klis
klishele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘plant met kleverige bloemknoppen’ voor het eerst aangetroffen in 1301.