kiep
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- keeper, doelverdediger
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kiepen
- gebiedende wijs van kiepen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kiepen
Vervoeging van kiep
kiephele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘hengselmand’ voor het eerst aangetroffen in 1477