kermen
werkwoordBetekenis
- van pijn en ellende kreunende geluid voortbrengen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van kermen
kermenhele werkwoord — kermdeverleden tijd enkelvoud — kermdenverleden tijd meervoud — gekermdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kerm | kermde |
| jij | kermt | kermde |
| hij, zij, het | kermt | kermde |
| wij | kermen | kermden |
| jullie | kermen | kermden |
| zij | kermen | kermden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gekermd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekermd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekermd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekermd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekermd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekermd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekermd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekermd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekermd | verleden tijd, deelwoord |
| gekermd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekermd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekermd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekermd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekermd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekermd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekermd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekermd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekermd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekermd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekermd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekermd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekermd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekermd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekermd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekermd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekermd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kerm | gebiedende wijs |
| kermde | verleden tijd |
| kerme | aanvoegende wijs |
| kermend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekermd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kermen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kermen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekermd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekermd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekermd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kermen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kermen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kermen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekermd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekermd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekermd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kermen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kermen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kermen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekermd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekermd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekermd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kermen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kermen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kermen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekermd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kermen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekermd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekermd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekermd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kermen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kermen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kermen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kermen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekermd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kermen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘kreunen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Woordfamilie van kermen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekermd | voltooid deelwoord | kermen |
| kerm | gebiedende wijs | kermen |
| kermde | verleden tijd | kermen |
| kermden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kermen |
| kerme | aanvoegende wijs | kermen |
| kermt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kermen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kermen zijn vastgelegd.