kerkkoor
zelfstandig naamwoordBetekenis
- koor dat zingt tijdens de godsdienstoefening in de kerk
- deel van een kerkgebouw
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kerkkoortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kerkkoortjes | verkleinwoord, meervoud |
| kerkkoren | meervoud |
Herkomst
samenstelling van kerk en koor
Woordfamilie van kerkkoor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kerkkoortje | verkleinwoord | kerkkoor |
| kerkkoortjes | verkleinwoord meervoud | kerkkoor |
| kerkkoren | meervoud | kerkkoor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kerkkoor zijn vastgelegd.