kathode
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een elektrische geleider waarlangs elektronen een elektrolyt binnengeleid worden
- in een radiobuis de door een gloeidraad verhitte elektrode die de elektronen uitzendt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kathoden | meervoud |
| kathodes | meervoud |
| kathodetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kathodetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘negatieve elektrode’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1870
Woordfamilie van kathode
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kathoden | meervoud | kathode |
| kathodes | meervoud | kathode |
| kathodetje | verkleinwoord | kathode |
| kathodetjes | verkleinwoord meervoud | kathode |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kathode zijn vastgelegd.