kabinet
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een bestuursorgaan bestaande uit hooggeplaatste leden van een regering, de regering.
- een meestal houten opslagmeubel met veel vakken, deurtjes of vitrines
- een plaats waar een verzameling ergens van is aangelegd
- het secretariaat van een bestuurder (zoals een burgemeester of minister)
- een ministerie
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kabinetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kabinetjes | verkleinwoord, meervoud |
| kabinetten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘meubelstuk’ voor het eerst aangetroffen in 1588
Woordfamilie van kabinet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kabinetje | verkleinwoord | kabinet |
| kabinetjes | verkleinwoord meervoud | kabinet |
| kabinetten | meervoud | kabinet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kabinet zijn vastgelegd.