jongleerder
zelfstandig naamwoord /jɔŋˈlerdər/Betekenis
- de artiest die zo veel mogelijk objecten weet op te gooien en weer weet op te vangen, zonder dat er één op de grond terecht komt (die jongleert)
Hoe spreek je jongleerder uit?
/jɔŋˈlerdər/
Jongleerder bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| ɔ | bot |
| ŋ | ding |
| l | land |
| e | veel |
| r | rood |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- de artiest die zo veel mogelijk objecten weet op te gooien en weer weet op te vangen, zonder dat er een op de grond terecht komt (die jongleert)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| jongleerders | meervoud |
| jongleerdertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| jongleerdertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van jongleren met het achtervoegsel -der
Woordfamilie van jongleerder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| jongleerders | meervoud | jongleerder |
| jongleerdertje | verkleinwoord | jongleerder |
| jongleerdertjes | verkleinwoord meervoud | jongleerder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jongleerder zijn vastgelegd.