jasmijn
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een stuikgewas uit het geslacht Jasminum, met name Jasminum officinale, behorende tot de olijffamilie (Oleaceae)
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor planten uit het geslacht Jasminum uit de olijffamilie (Oleaceae), zowel gebruikt voor het struikgewas als de bloemen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| jasmijnen | meervoud |
| jasmijntje | verkleinwoord, enkelvoud |
| jasmijntjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘plantengeslacht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van jasmijn
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| jasmijnen | meervoud | jasmijn |
| jasmijntje | verkleinwoord | jasmijn |
| jasmijntjes | verkleinwoord meervoud | jasmijn |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jasmijn zijn vastgelegd.