integraalrekening
zelfstandig naamwoordBetekenis
- methode om de oppervlakte te berekenen begrensd door de grafiek van een functie en de horizontale coördinaatas (x-as), tussen twee verticale lijnen (de begin- en eindwaarde van de integraal)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| integraalrekeningen | meervoud |
| integraalrekeningetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| integraalrekeningetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘berekenen van de oorspronkelijke functie uit de afgeleide’ voor het eerst aangetroffen in 1740
Woordfamilie van integraalrekening
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| integraalrekeningen | meervoud | integraalrekening |
| integraalrekeningetje | verkleinwoord | integraalrekening |
| integraalrekeningetjes | verkleinwoord meervoud | integraalrekening |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van integraalrekening zijn vastgelegd.