inkleding
zelfstandig naamwoord ˈinkledɪŋBetekenis
- de handeling waarbij postulanten hun noviciaat beginnen en voor het eerst het kloostergewaad ontvangen
- hoe men de rol van een bepaalde functie of persoon vorm geeft
- de inrichting van een ruimte of een gebouw
Hoe spreek je inkleding uit?
/ˈinkledɪŋ/
Inkleding bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| i | riet |
| n | nek |
| k | kat |
| l | land |
| e | veel |
| d | dak |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| inkledingen | meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van inkleden met het achtervoegsel -ing
Woordfamilie van inkleding
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| inkledingen | meervoud | inkleding |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inkleding zijn vastgelegd.