ingaan
werkwoord ˈɪŋɣanBetekenis
- ~ op: ergens op reageren
- van start gaan
- binnengaan
Hoe spreek je ingaan uit?
/ˈɪŋxan/
Ingaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ingaan
ingaanhele werkwoord — ging inverleden tijd enkelvoud — gingen inverleden tijd meervoud — ingegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga in | ging in |
| jij | gaat in | ging in |
| hij, zij, het | gaat in | ging in |
| wij | gaan in | gingen in |
| jullie | gaan in | gingen in |
| zij | gaan in | gingen in |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ingegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga in | gebiedende wijs |
| ging in | verleden tijd |
| in te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| in zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| in zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| inga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ingaand | onvoltooid, deelwoord |
| ingaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ingegaan | verleden tijd, deelwoord |
| ingegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inging | bijzin, verleden tijd |
| ingingen | bijzin, verleden tijd |
| is ingegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn ingegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ingaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ingaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ingaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ingaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ingaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal ingegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ingegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ingegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ingaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ingaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ingaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou ingegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) ingaan in zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ingaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ingaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ingaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ingaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ingaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ingaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ingaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ingaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ingaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ingaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen ingegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ingaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ingaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal ingaan in zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en gaan ww
Woordfamilie van ingaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga in | gebiedende wijs | ingaan |
| gaan in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | ingaan |
| gaat in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ingaan |
| ging in | verleden tijd | ingaan |
| gingen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ingaan |
| inga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ingaan |
| ingaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ingaan |
| ingegaan | voltooid deelwoord | ingaan |
| inging | subordinate-clause, verleden tijd | ingaan |
| ingingen | subordinate-clause, verleden tijd | ingaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ingaan zijn vastgelegd.