individualiseren
werkwoordBetekenis
- afzonderen, afzonderlijk aanwijzen.
- iets op zichzelf staand beschouwen en zodanig behandelen.
Vervoeging van individualiseren
individualiserenhele werkwoord — individualiseerdeverleden tijd enkelvoud — individualiseerdenverleden tijd meervoud — geïndividualiseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | individualiseer | individualiseerde |
| jij | individualiseert | individualiseerde |
| hij, zij, het | individualiseert | individualiseerde |
| wij | individualiseren | individualiseerden |
| jullie | individualiseren | individualiseerden |
| zij | individualiseren | individualiseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geïndividualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geïndividualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geïndividualiseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïndividualiseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïndividualiseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïndividualiseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïndividualiseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïndividualiseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïndividualiseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïndividualiseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïndividualiseerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïndividualiseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïndividualiseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïndividualiseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïndividualiseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïndividualiseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïndividualiseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïndividualiseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïndividualiseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïndividualiseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïndividualiseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïndividualiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïndividualiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïndividualiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïndividualiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïndividualiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïndividualiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïndividualiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïndividualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïndividualiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïndividualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïndividualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïndividualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïndividualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïndividualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïndividualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| individualiseer | gebiedende wijs |
| individualiseerde | verleden tijd |
| individualisere | aanvoegende wijs |
| individualiserend | onvoltooid, deelwoord |
| is geïndividualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geïndividualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geïndividualiseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te individualiseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen individualiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geïndividualiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïndividualiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geïndividualiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïndividualiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geïndividualiseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geïndividualiseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geïndividualiseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geïndividualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geïndividualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geïndividualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geïndividualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geïndividualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geïndividualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geïndividualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geïndividualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geïndividualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geïndividualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geïndividualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geïndividualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geïndividualiseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geïndividualiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïndividualiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïndividualiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geïndividualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïndividualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geïndividualiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïndividualiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal individualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal individualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal individualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geïndividualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geïndividualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geïndividualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geïndividualiseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geïndividualiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïndividualiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïndividualiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geïndividualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïndividualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geïndividualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïndividualiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïndividualiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïndividualiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou individualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou individualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou individualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïndividualiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïndividualiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïndividualiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïndividualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geïndividualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geïndividualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïndividualiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïndividualiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïndividualiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden individualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden individualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden individualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïndividualiseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïndividualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïndividualiseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt individualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïndividualiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïndividualiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïndividualiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïndividualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geïndividualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geïndividualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïndividualiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïndividualiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïndividualiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen individualiseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen individualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen individualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen individualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïndividualiseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïndividualiseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïndividualiseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult individualiseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse individualiser (met het achtervoegsel -iseren)
Woordfamilie van individualiseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïndividualiseerd | voltooid deelwoord | individualiseren |
| geïndividualiseerde | woordvorm | individualiseren |
| individualiseer | gebiedende wijs | individualiseren |
| individualiseerde | verleden tijd | individualiseren |
| individualiseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | individualiseren |
| individualiseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | individualiseren |
| individualisere | aanvoegende wijs | individualiseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van individualiseren zijn vastgelegd.