hunkeren
werkwoordBetekenis
- ~ naar: een sterk verlangen koesteren naar iets
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van hunkeren
hunkerenhele werkwoord — hunkerdeverleden tijd enkelvoud — hunkerdenverleden tijd meervoud — gehunkerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hunker | hunkerde |
| jij | hunkert | hunkerde |
| hij, zij, het | hunkert | hunkerde |
| wij | hunkeren | hunkerden |
| jullie | hunkeren | hunkerden |
| zij | hunkeren | hunkerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gehunkerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehunkerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehunkerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehunkerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehunkerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehunkerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehunkerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehunkerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehunkerd | verleden tijd, deelwoord |
| gehunkerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehunkerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehunkerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehunkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehunkerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehunkerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehunkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehunkerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehunkerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehunkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehunkerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehunkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehunkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehunkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehunkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehunkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehunkerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hunker | gebiedende wijs |
| hunkerde | verleden tijd |
| hunkere | aanvoegende wijs |
| hunkerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gehunkerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hunkeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hunkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehunkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehunkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehunkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hunkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hunkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hunkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehunkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehunkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehunkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hunkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hunkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hunkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehunkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehunkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehunkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hunkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hunkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hunkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehunkerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hunkeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehunkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehunkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehunkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hunkeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hunkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hunkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hunkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehunkerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hunkeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘verlangen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573
Woordfamilie van hunkeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehunkerd | voltooid deelwoord | hunkeren |
| hunker | gebiedende wijs | hunkeren |
| hunkerde | verleden tijd | hunkeren |
| hunkerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hunkeren |
| hunkere | aanvoegende wijs | hunkeren |
| hunkert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hunkeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hunkeren zijn vastgelegd.