hulpverlenen
werkwoordBetekenis
- het helpen van iemand
Vervoeging van hulpverlenen
hulpverlenenhele werkwoord — verleende hulpverleden tijd enkelvoud — verleenden hulpverleden tijd meervoud — hulpverleendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verleen hulp | verleende hulp |
| jij | verleent hulp | verleende hulp |
| hij, zij, het | verleent hulp | verleende hulp |
| wij | verlenen hulp | verleenden hulp |
| jullie | verlenen hulp | verleenden hulp |
| zij | verlenen hulp | verleenden hulp |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had hulpverleend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had hulpverleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had hulpverleend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden hulpverleend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden hulpverleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden hulpverleend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt hulpverleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb hulpverleend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben hulpverleend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben hulpverleend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben hulpverleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben hulpverleend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt hulpverleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft hulpverleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft hulpverleend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hulp te verlenen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| hulp te zullen verlenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| hulp zal verlenen | bijzin, toekomende tijd |
| hulp zou verlenen | bijzin, voorwaardelijk |
| hulp zouden verlenen | bijzin, voorwaardelijk |
| hulp zoudt verlenen | bijzin, voorwaardelijk |
| hulp zullen verlenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hulp zullen verlenen | bijzin, toekomende tijd |
| hulp zult verlenen | bijzin, toekomende tijd |
| hulpverleen | bijzin, tegenwoordige tijd |
| hulpverleend | verleden tijd, deelwoord |
| hulpverleend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| hulpverleend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hulpverleende | bijzin, verleden tijd |
| hulpverleenden | bijzin, verleden tijd |
| hulpverleent | bijzin, tegenwoordige tijd |
| hulpverlenend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben hulpverleend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hulpverlenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verleen hulp | gebiedende wijs |
| verleende hulp | verleden tijd |
| zal hulpverleend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal hulpverleend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal hulpverleend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hulpverlenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hulpverlenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hulpverlenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal hulpverlenen | bijzin, toekomende tijd |
| zou hulpverleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou hulpverleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou hulpverleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hulpverlenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hulpverlenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hulpverlenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou hulpverlenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) hulpverlenen hulp zou(dt) verlenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden hulpverleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden hulpverleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden hulpverleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hulpverlenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hulpverlenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hulpverlenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden hulpverlenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt hulpverleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hulpverlenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt hulpverlenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen hulpverleend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen hulpverleend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen hulpverleend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hulpverlenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hulpverlenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hulpverlenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hulpverlenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen hulpverlenen | bijzin, toekomende tijd |
| zult hulpverleend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hulpverlenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult hulpverlenen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal hulpverlenen hulp zult/zal verlenen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van hulp en verlenen
Woordfamilie van hulpverlenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hulpverleen | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | hulpverlenen |
| hulpverleend | voltooid deelwoord | hulpverlenen |
| hulpverleende | subordinate-clause, verleden tijd | hulpverlenen |
| hulpverleenden | subordinate-clause, verleden tijd | hulpverlenen |
| hulpverleent | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | hulpverlenen |
| hulpverlene | with-subordinate-clause | hulpverlenen |
| verleen hulp | gebiedende wijs | hulpverlenen |
| verleende hulp | verleden tijd | hulpverlenen |
| verleenden hulp | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hulpverlenen |
| verleent hulp | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hulpverlenen |
| verlene hulp | woordvorm | hulpverlenen |
| verlenen hulp | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | hulpverlenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hulpverlenen zijn vastgelegd.