huishond
zelfstandig naamwoordBetekenis
- hond die men als huisdier houdt
zelfstandig naamwoord — masculine
- Canis lupus familiaris hond die men als huisdier houdt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| huishonden | meervoud |
| huishondje | verkleinwoord, enkelvoud |
| huishondjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van huis zn en hond zn
Woordfamilie van huishond
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| huishonden | meervoud | huishond |
| huishondje | verkleinwoord | huishond |
| huishondjes | verkleinwoord meervoud | huishond |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huishond zijn vastgelegd.