houtje-touwtjejas
zelfstandig naamwoord ˌhɑucəˈtɑucəˌjɑsBetekenis
- een soort jas, oorspronkelijk ontworpen voor de Engelse soldaten van WW I met een sluiting met langwerpige houten knopen
Hoe spreek je houtje-touwtjejas uit?
/ˌhɑucəˈtɑucəˌjɑs/
Houtje-touwtjejas bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑu | koud |
| c | tientje |
| ə | de |
| t | tak |
| j | ja |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- soort jas, oorspronkelijk ontworpen voor de Engelse soldaten van WW I, die sluit met langwerpige houten knopen en lussen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| houtje-touwtjejasje | verkleinwoord, enkelvoud |
| houtje-touwtjejasjes | verkleinwoord, meervoud |
| houtje-touwtjejassen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘driekwartjas die sluit met houten staafjes’ voor het eerst aangetroffen in 1955
Woordfamilie van houtje-touwtjejas
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| houtje-touwtjejasje | verkleinwoord | houtje-touwtjejas |
| houtje-touwtjejasjes | verkleinwoord meervoud | houtje-touwtjejas |
| houtje-touwtjejassen | meervoud | houtje-touwtjejas |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van houtje-touwtjejas zijn vastgelegd.