hoofdhaar
zelfstandig naamwoord ˈhoftharBetekenis
- haar op het hoofd
Hoe spreek je hoofdhaar uit?
/ˈhofthar/
Hoofdhaar bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| o | boot |
| f | fiets |
| t | tak |
| a | maan |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- haardos bovenop, opzij en aan de achterkant van een mensenhoofd, die vaak dikker en langer is dan de beharing op de rest van het lichaam
- enkele vezel uit de haardos van een mens
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hoofdhaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hoofdhaartjes | verkleinwoord, meervoud |
| hoofdharen | meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands hovethaer, op te vatten als samenstelling van hoofd zn "kop van een mens" en haar zn "vezel die uit de huid groeit"
Woordfamilie van hoofdhaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoofdhaartje | verkleinwoord | hoofdhaar |
| hoofdhaartjes | verkleinwoord meervoud | hoofdhaar |
| hoofdharen | meervoud | hoofdhaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoofdhaar zijn vastgelegd.