hoofddocent
zelfstandig naamwoordBetekenis
- universitair docent, één rang onder de hoogleraar, die de bevoegdheid heeft om promovendi te begeleiden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hoofddocenten | meervoud |
| hoofddocentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hoofddocentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van hoofd en docent
Woordfamilie van hoofddocent
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoofddocenten | meervoud | hoofddocent |
| hoofddocentje | verkleinwoord | hoofddocent |
| hoofddocentjes | verkleinwoord meervoud | hoofddocent |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoofddocent zijn vastgelegd.