hondsvot
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een scheldwoord voor een slordig persoon of schurk (letterlijk: de kont van een hond)
- een oog aan een blok waaraan het vaste deel van een loper kan worden bevestigd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hondsvotje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hondsvotjes | verkleinwoord, meervoud |
| hondsvotten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘scheldwoord’ voor het eerst aangetroffen in 1580
Woordfamilie van hondsvot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hondsvotje | verkleinwoord | hondsvot |
| hondsvotjes | verkleinwoord meervoud | hondsvot |
| hondsvotten | meervoud | hondsvot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hondsvot zijn vastgelegd.