honderd
hoofdtelwoord, zelfstandig naamwoord /ˈɦɔndərt/Betekenis
- '100', het getal tussen negenennegentig en honderdeen, tien maal tien
- honderd als hoeveelheid
- dat wat in een (rang)ordening met 100 is aangeduid
- honderdje: geldbiljet met een waarde van honderd (euro of gulden)
- groep van 100 eenheden
- 10 x 10, in Arabische cijfers 100, in Romeinse cijfers C
- het getal 100
Hoe spreek je honderd uit?
/ˈhɔndərt/
Honderd bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
hoofdtelwoord
- "100", het getal tussen negenennegentig en honderdeen, tien maal tien
Verbuiging en vervoeging (hoofdtelwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| 100 | |
| 1100100 | |
| 64 | |
| C |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands hondert van Oudnederlands hundret, als telwoord voor het eerst aangetroffen in de Middelfrankische Rijmbijbel (1151-1200); cognaat met Oudsaksisch hunderod
Woordfamilie van honderd
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| honderdjes | meervoud | honderd |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van honderd zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- achthonderd
- driehonderd
- honderddertig
- honderdduizend
- honderdjarig
- honderdjarige
- honderdmaal
- honderdnegentig
- honderdste
- honderdtachtig
- honderdtal
- honderdtien
- honderdtwintig
- honderduit
- honderdveertig
- honderdvijfendertig
- honderdvijfentwintig
- honderdvijftien
- honderdvijftig
- honderdvoud
- honderdvoudig
- honderdzestig
- honderdzeventig
- negenhonderd