homo
zelfstandig naamwoord ˈhomoBetekenis
- mens (als onderdeel van vaste verbindingen ontleend aan het Latijn)
- man die een seksuele voorkeur voor mannen heeft, soms algemener gebruikt voor persoon met een seksuele voorkeur voor mensen van hetzelfde geslacht
Hoe spreek je homo uit?
/ˈhomo/
Homo bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| o | boot |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als heaumeau.
zelfstandig naamwoord — masculine
- mens
- iemand die onhandig is of niet bij een groep hoort #:⚠️ Dit gebruik van het woord roept twijfels op over de gebruiker. pejorative
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| homo's | meervoud |
| homootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| homootjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
[1] van Latijn homo
Woordfamilie van homo
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| homo's | meervoud | homo |
| homootje | verkleinwoord | homo |
| homootjes | verkleinwoord meervoud | homo |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van homo zijn vastgelegd.