hengsel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een eenvoudig scharnier waarbij een deur op een of meer vertikale metalen staven gehangen wordt
- een stuk gebogen draad, al of niet van metaal, op twee plaatsen aan bijvoorbeeld een emmer bevestigd, waaraan deze opgepakt of -gehangen kan worden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hengsels | meervoud |
| hengseltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hengseltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘beugel, scharnier’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van hengsel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hengsels | meervoud | hengsel |
| hengseltje | verkleinwoord | hengsel |
| hengseltjes | verkleinwoord meervoud | hengsel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hengsel zijn vastgelegd.