heersen
werkwoord /hersə(n)/Betekenis
- de macht uitoefenen
- als epidemie aanwezig zijn in de bevolking
Hoe spreek je heersen uit?
/hersən/
Heersen bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| e | veel |
| r | rood |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van heersen
heersenhele werkwoord — heersteverleden tijd enkelvoud — heerstenverleden tijd meervoud — geheerstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | heers | heerste |
| jij | heerst | heerste |
| hij, zij, het | heerst | heerste |
| wij | heersen | heersten |
| jullie | heersen | heersten |
| zij | heersen | heersten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geheerst | verleden tijd, deelwoord |
| geheerst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geheerst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geheerst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geheerst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geheerst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geheerst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geheerst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geheerst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geheerst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geheerst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geheerst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geheerst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geheerst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geheerst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geheerst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geheerst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geheerst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heers | gebiedende wijs |
| heerse | aanvoegende wijs |
| heersend | onvoltooid, deelwoord |
| heerste | verleden tijd |
| te hebben geheerst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te heersen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen heersen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geheerst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geheerst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geheerst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal heersen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal heersen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal heersen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geheerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geheerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geheerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou heersen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou heersen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou heersen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geheerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geheerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geheerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden heersen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden heersen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden heersen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geheerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt heersen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geheerst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geheerst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geheerst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen heersen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen heersen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen heersen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen heersen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geheerst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult heersen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘regeren’ voor het eerst aangetroffen in 1348
Woordfamilie van heersen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geheerst | voltooid deelwoord | heersen |
| heers | gebiedende wijs | heersen |
| heerse | aanvoegende wijs | heersen |
| heerste | verleden tijd | heersen |
| heersten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | heersen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heersen zijn vastgelegd.