heen-en-weer
zelfstandig naamwoord ˌhenɛɱˈwerBetekenis
- trein- of bootkaartje voor een reis in beide richtingen
- schip dat een veerdienst over een rivier verzorgt
- (naaiwerk) dicht op elkaar herhaalde steken om af te hechten
- telkens herhaalde beweging tussen twee toestanden
- geërgerde nervositeit door een telkens terugkerende prikkel
Hoe spreek je heen-en-weer uit?
/ˌhenɛmˈwer/
Heen-en-weer bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| e | veel |
| n | nek |
| ɛ | bed |
| m | maan |
| w | quiz |
| r | rood |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- dicht op elkaar herhaalde steken om af te hechten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| heen-en-weers | meervoud |
| heen-en-weertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| heen-en-weertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
(samenkoppeling) ontstaan uit de bijwoordelijke uitdrukking heen en weer
Woordfamilie van heen-en-weer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| heen-en-weers | meervoud | heen-en-weer |
| heen-en-weertje | verkleinwoord | heen-en-weer |
| heen-en-weertjes | verkleinwoord meervoud | heen-en-weer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heen-en-weer zijn vastgelegd.