hebben
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈɦɛbə(n)/Betekenis
- gebruikt voor de vorming van de voltooide tijden
- (rechtmatig of wederrechtelijk) bezitten
- omvatten, bevatten
- lijden aan
- drukt een familierelatie uit
- als taak zich bezighouden|bezig moeten houden met
- overweg kunnen met
- weerstaan, doorstaan
- ~ te: moeten, verplicht zijn
- ~ aan: ergens nut van hebben, baat bij hebben
- hebben + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd
- hebben + te: moeten: Wij hebben dit te accepteren
- het bezit
Hoe spreek je hebben uit?
/ˈhɛbən/
Hebben bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| b | bak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- bezitten absolute
- als onderdeel hebben, omvatten, bevatten absolute
- in dienst hebben absolute
- in zijn macht hebben absolute
- als taak zich bezig moeten houden met absolute
- kunnen ~ overweg kunnen met iemand absolute
- kunnen ~ weerstaan, doorstaan, goed bestand zijn tgen absolute
- een relatie hebben absolute
- ~ te: moeten, verplicht zijn om absolute, auxiliary
- ~ over: als onderwerp van gesprek hebben absolute
- ~ aan: ergens nut van hebben, ergens baat bij hebben absolute
Vervoeging van hebben
hebbenhele werkwoord — gehadvoltooid deelwoord
Vervoeging van hebben
hebbenhele werkwoord — gehadvoltooid deelwoord
Alle 2 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gehad | verleden tijd, deelwoord |
| had | verleden tijd |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands hebben en Oudnederlands hebban, in de betekenis van ‘bezitten, hulpwerkwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 Cognaat met in ieder geval de volgende woorden in het Germaans:
Woordfamilie van hebben
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hadde | woordvorm | hebben |
| hadden | woordvorm | hebben |
| hadt | woordvorm | hebben |
| heb | woordvorm | hebben |
| hebbe | woordvorm | hebben |
| hebbend | woordvorm | hebben |
| hebbende | woordvorm | hebben |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hebben zijn vastgelegd.