hazelaar
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een heester waaraan hazelnoten groeien
zelfstandig naamwoord — masculine
- Corylus avellana een in West-Europa inheemse struik uit de berkenfamilie (Betulaceae). De vrucht van de hazelaar is de hazelnoot, waarvan de kern eetbaar is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hazelaars | meervoud |
| hazelaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hazelaartjes | verkleinwoord, meervoud |
| hazelaren | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘struik’ voor het eerst aangetroffen in 1546
Woordfamilie van hazelaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hazelaars | meervoud | hazelaar |
| hazelaartje | verkleinwoord | hazelaar |
| hazelaartjes | verkleinwoord meervoud | hazelaar |
| hazelaren | meervoud | hazelaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hazelaar zijn vastgelegd.