hazelhoen
zelfstandig naamwoordBetekenis
- grijsbruine hoendervogel uit de onderfamilie der ruigpoothoenders (Tetraoninae)
zelfstandig naamwoord — neuter
- Tetrastes bonasia grijsbruine hoendervogel uit de onderfamilie der ruigpoothoenders (Tetraoninae)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hazelhoenderen | meervoud |
| hazelhoenders | meervoud |
| hazelhoenen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van hazel zn en hoen zn
Woordfamilie van hazelhoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hazelhoenderen | meervoud | hazelhoen |
| hazelhoenders | meervoud | hazelhoen |
| hazelhoenen | meervoud | hazelhoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hazelhoen zijn vastgelegd.