haspel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een werktuig voor het op- of afwinden van kabels, slangen enz
zelfstandig naamwoord — masculine
- een werktuig voor het op- of afwinden van kabels, slangen enz.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| haspelen | meervoud |
| haspels | meervoud |
| haspeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| haspeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haspelen
- gebiedende wijs van haspelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haspelen
Vervoeging van haspel
haspelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘toestel om garen op te winden’ voor het eerst aangetroffen in 1486
Woordfamilie van haspel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| haspels | meervoud | haspel |
| haspeltje | verkleinwoord | haspel |
| haspeltjes | verkleinwoord meervoud | haspel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van haspel zijn vastgelegd.