haperen
werkwoordBetekenis
- stokken, niet vooruitgaan.
- kapot gaan
Vervoeging van haperen
haperenhele werkwoord — haperdeverleden tijd enkelvoud — haperdenverleden tijd meervoud — gehaperdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | haper | haperde |
| jij | hapert | haperde |
| hij, zij, het | hapert | haperde |
| wij | haperen | haperden |
| jullie | haperen | haperden |
| zij | haperen | haperden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehaperd | verleden tijd, deelwoord |
| gehaperd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehaperd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehaperd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehaperd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehaperd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehaperd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehaperd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehaperd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehaperd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| haper | gebiedende wijs |
| haperde | verleden tijd |
| hapere | aanvoegende wijs |
| haperend | onvoltooid, deelwoord |
| heb gehaperd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehaperd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehaperd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehaperd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehaperd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehaperd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehaperd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehaperd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te haperen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gehaperd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen haperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehaperd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehaperd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehaperd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal haperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal haperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal haperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehaperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehaperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehaperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou haperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou haperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou haperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehaperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehaperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehaperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden haperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden haperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden haperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehaperd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt haperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehaperd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehaperd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehaperd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen haperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen haperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen haperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen haperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehaperd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult haperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘blijven steken’ voor het eerst aangetroffen in 1351
Woordfamilie van haperen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehaperd | voltooid deelwoord | haperen |
| haper | gebiedende wijs | haperen |
| haperde | verleden tijd | haperen |
| haperden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | haperen |
| hapere | aanvoegende wijs | haperen |
| hapert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | haperen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van haperen zijn vastgelegd.