handgemeen
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord /ˈhɑntɣəmen/Betekenis
- in een onderling gevecht
- samen, eensgezind, medeplichtig
- gevecht
Hoe spreek je handgemeen uit?
/ˈhɑntxəmen/
Handgemeen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| x | acht |
| ə | de |
| m | maan |
| e | veel |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
Herkomst
[bijvoeglijk naamwoord] van Middelnederlands hantgemene "met ieders handen bij elkaar, samen" (vriendschappelijk) en "zo dicht bij elkaar dat je elkaar met de hand raakt, in schermutselingen verwikkeld, aan een gevecht begonnen"; op te vatten als een samenstelling van hand en gemeen
Woordfamilie van handgemeen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| handgemenen | meervoud | handgemeen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van handgemeen zijn vastgelegd.