hallucineren
werkwoordBetekenis
- zinsbegoochelingen hebben
werkwoord
- Dat AI-model durft al eens te hallucineren: het model verzint soms passages tekst die nooit door de dokter of patiënt werden uitgesproken.
Vervoeging van hallucineren
hallucinerenhele werkwoord — hallucineerdeverleden tijd enkelvoud — hallucineerdenverleden tijd meervoud — gehallucineerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hallucineer | hallucineerde |
| jij | hallucineert | hallucineerde |
| hij, zij, het | hallucineert | hallucineerde |
| wij | hallucineren | hallucineerden |
| jullie | hallucineren | hallucineerden |
| zij | hallucineren | hallucineerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehallucineerd | verleden tijd, deelwoord |
| gehallucineerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehallucineerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehallucineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehallucineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehallucineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehallucineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehallucineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehallucineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehallucineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hallucineer | gebiedende wijs |
| hallucineerde | verleden tijd |
| hallucinere | aanvoegende wijs |
| hallucinerend | onvoltooid, deelwoord |
| heb gehallucineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehallucineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehallucineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehallucineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehallucineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehallucineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehallucineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehallucineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hallucineren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gehallucineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hallucineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehallucineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehallucineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehallucineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hallucineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hallucineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hallucineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehallucineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehallucineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehallucineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hallucineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hallucineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hallucineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehallucineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehallucineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehallucineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hallucineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hallucineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hallucineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehallucineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hallucineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehallucineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehallucineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehallucineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hallucineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hallucineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hallucineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hallucineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehallucineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hallucineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘begoochelen’ voor het eerst aangetroffen in 1865
Woordfamilie van hallucineren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehallucineerd | voltooid deelwoord | hallucineren |
| hallucineer | gebiedende wijs | hallucineren |
| hallucineerde | verleden tijd | hallucineren |
| hallucineerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hallucineren |
| hallucineert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hallucineren |
| hallucinere | aanvoegende wijs | hallucineren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hallucineren zijn vastgelegd.