habijt
zelfstandig naamwoordBetekenis
- pij, lange kleding gedragen door monniken en nonnen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| habijten | meervoud |
| habijtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| habijtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘geestelijk gewaad’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Woordfamilie van habijt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| habijten | meervoud | habijt |
| habijtje | verkleinwoord | habijt |
| habijtjes | verkleinwoord meervoud | habijt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van habijt zijn vastgelegd.