guichelheil
zelfstandig naamwoord /ɣœʏ̯.χəɫ.ɦɛɪ̯l/Betekenis
- Een genus planten dat vaak in de sleutelbloemfamilie geplaatst wordt en waarvan een aantal soorten in de Benelux voorkomt.
Hoe spreek je guichelheil uit?
/xœyxəlhɛil/
Guichelheil bestaat uit drie lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| œy | huis |
| ə | de |
| l | land |
| h | hoed |
| ɛi | trein |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een geslacht Anagallis van planten dat in de 23e druk van de Heukels geplaatst wordt in de sleutelbloemfamilie (Primulaceae). Merk op dat moderne taxonomen het geslacht vaak plaatsen in de familie Myrsinaceae
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| guichelheilen | meervoud |
| guichelheiltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| guichelheiltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Van Middelnederlands guich (gek) en heil. Het werd gebruikt als medicijn tegen geestelijke aandoeningen.
Woordfamilie van guichelheil
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| guichelheilen | meervoud | guichelheil |
| guichelheiltje | verkleinwoord | guichelheil |
| guichelheiltjes | verkleinwoord meervoud | guichelheil |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van guichelheil zijn vastgelegd.