grondel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɣrɔndəlBetekenis
- een naam voor meerdere families onder de straalvinnige vissen
Hoe spreek je grondel uit?
/ˈxrɔndəl/
Grondel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor vissen uit de familie Gobiidae, bodembewonende, meestal roofzuchtige visjes met een brede, verzonken kop, een felgekleurd lichaam, een tweedelige rugvin en geen zijlijn en de buikvinnen zijn samengevoegd als een schijfvormige zuignap die zich vastklampt aan rotsen en koraalriffen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| grondels | meervoud |
| grondeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| grondeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grondelen
- gebiedende wijs van grondelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grondelen
Vervoeging van grondel
grondelhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands grondel / grondele / grondelinc, verkleinwoord bij grond (zie aldaar), in de betekenis van ‘riviergrondel’ aangetroffen vanaf 1440; naar het gedrag van de vissen die zich voornamelijk bij de bodem van het water ophouden, vergelijk Nedersaksisch Gründel, Duits Grundel, Angelsaksisch gryndle en Fries grindeltsje
Woordfamilie van grondel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| grondeltje | verkleinwoord | grondel |
| grondeltjes | verkleinwoord meervoud | grondel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grondel zijn vastgelegd.