grijnzen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /grɛinzə(n)/Betekenis
- het gezicht tot een grijns vertrekken
Hoe spreek je grijnzen uit?
/grɛinzən/
Grijnzen bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| g | goal |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| n | nek |
| z | zon |
| ə | de |
Vervoeging van grijnzen
grijnzenhele werkwoord — grijnsdeverleden tijd enkelvoud — grijnsdenverleden tijd meervoud — gegrijnsdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | grijns | grijnsde |
| jij | grijnst | grijnsde |
| hij, zij, het | grijnst | grijnsde |
| wij | grijnzen | grijnsden |
| jullie | grijnzen | grijnsden |
| zij | grijnzen | grijnsden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gegrijnsd | verleden tijd, deelwoord |
| gegrijnsd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegrijnsd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| grijns | gebiedende wijs |
| grijnsde | verleden tijd |
| grijnze | aanvoegende wijs |
| grijnzend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegrijnsd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegrijnsd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegrijnsd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegrijnsd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegrijnsd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegrijnsd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegrijnsd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegrijnsd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegrijnsd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegrijnsd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegrijnsd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegrijnsd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegrijnsd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegrijnsd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegrijnsd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te grijnzen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegrijnsd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen grijnzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegrijnsd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegrijnsd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegrijnsd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal grijnzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal grijnzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal grijnzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegrijnsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegrijnsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegrijnsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou grijnzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou grijnzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou grijnzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegrijnsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegrijnsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegrijnsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden grijnzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden grijnzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden grijnzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegrijnsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt grijnzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegrijnsd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegrijnsd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegrijnsd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen grijnzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen grijnzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen grijnzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen grijnzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegrijnsd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult grijnzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord grijns
Herkomst
In de betekenis van ‘vals lachen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van grijnzen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegrijnsd | voltooid deelwoord | grijnzen |
| grijnsde | verleden tijd | grijnzen |
| grijnsden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | grijnzen |
| grijnst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | grijnzen |
| grijnze | aanvoegende wijs | grijnzen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grijnzen zijn vastgelegd.