grieven
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- kwetsen, krenken, beledigen
- kwetsen, krenken, kwellen, plagen, pijnigen
Vervoeging van grieven
grievenhele werkwoord — griefdeverleden tijd enkelvoud — griefdenverleden tijd meervoud — gegriefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | grief | griefde |
| jij | grieft | griefde |
| hij, zij, het | grieft | griefde |
| wij | grieven | griefden |
| jullie | grieven | griefden |
| zij | grieven | griefden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gegriefd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegriefd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegriefd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegriefd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegriefd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegriefd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegriefd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegriefd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegriefd | verleden tijd, deelwoord |
| gegriefd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegriefd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| grief | gebiedende wijs |
| griefde | verleden tijd |
| grieve | aanvoegende wijs |
| grievend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegriefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegriefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegriefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegriefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegriefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegriefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegriefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegriefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegriefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te grieven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegriefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen grieven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegriefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegriefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegriefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal grieven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal grieven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal grieven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegriefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegriefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegriefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou grieven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou grieven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou grieven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegriefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegriefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegriefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden grieven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden grieven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden grieven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegriefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt grieven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegriefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegriefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegriefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen grieven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen grieven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen grieven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen grieven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegriefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult grieven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord grief
Herkomst
In de betekenis van ‘krenken’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Woordfamilie van grieven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegriefd | voltooid deelwoord | grieven |
| griefde | verleden tijd | grieven |
| griefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | grieven |
| grieft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | grieven |
| grieve | aanvoegende wijs | grieven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grieven zijn vastgelegd.