grendel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een voorwerp, meest in de vorm van een metalen staaf, die de opening van een deur verhindert
zelfstandig naamwoord — masculine
- deel van een geweer waarmee men het geweer sluit zodat de patronen afgesloten zitten en het geweer klaar is om gebruikt te worden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| grendels | meervoud |
| grendeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| grendeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grendelen
- gebiedende wijs van grendelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grendelen
Vervoeging van grendel
grendelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘schuifbout voor deuren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Woordfamilie van grendel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| grendels | meervoud | grendel |
| grendeltje | verkleinwoord | grendel |
| grendeltjes | verkleinwoord meervoud | grendel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grendel zijn vastgelegd.