gorgelen
werkwoord ɣɔrɣələ(n)Betekenis
- met de stembanden wat vloeistof in de keel doen wervelen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je gorgelen uit?
/xɔrxələn/
Gorgelen bestaat uit drie lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
Vervoeging van gorgelen
gorgelenhele werkwoord — gorgeldeverleden tijd enkelvoud — gorgeldenverleden tijd meervoud — gegorgeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gorgel | gorgelde |
| jij | gorgelt | gorgelde |
| hij, zij, het | gorgelt | gorgelde |
| wij | gorgelen | gorgelden |
| jullie | gorgelen | gorgelden |
| zij | gorgelen | gorgelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gegorgeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegorgeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegorgeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegorgeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegorgeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegorgeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegorgeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegorgeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegorgeld | verleden tijd, deelwoord |
| gegorgeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegorgeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gorgel | gebiedende wijs |
| gorgelde | verleden tijd |
| gorgele | aanvoegende wijs |
| gorgelend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegorgeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegorgeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegorgeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegorgeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegorgeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegorgeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegorgeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegorgeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegorgeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegorgeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegorgeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegorgeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegorgeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegorgeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegorgeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gorgelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegorgeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gorgelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegorgeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegorgeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegorgeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gorgelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gorgelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gorgelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegorgeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegorgeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegorgeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gorgelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gorgelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gorgelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegorgeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegorgeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegorgeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gorgelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gorgelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gorgelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegorgeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gorgelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegorgeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegorgeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegorgeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gorgelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gorgelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gorgelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gorgelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegorgeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gorgelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘de keel spoelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1500
Woordfamilie van gorgelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegorgeld | voltooid deelwoord | gorgelen |
| gorgelde | verleden tijd | gorgelen |
| gorgelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gorgelen |
| gorgele | aanvoegende wijs | gorgelen |
| gorgelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gorgelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gorgelen zijn vastgelegd.