glooien
werkwoordBetekenis
- een licht helling vertonen
werkwoord
- een lichte helling vertonen absolute
Vervoeging van glooien
glooienhele werkwoord — glooideverleden tijd enkelvoud — glooidenverleden tijd meervoud — geglooidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | glooi | glooide |
| jij | glooit | glooide |
| hij, zij, het | glooit | glooide |
| wij | glooien | glooiden |
| jullie | glooien | glooiden |
| zij | glooien | glooiden |
Alle 58 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geglooid | verleden tijd, deelwoord |
| geglooid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geglooid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| glooi | gebiedende wijs |
| glooide | verleden tijd |
| glooie | aanvoegende wijs |
| glooiend | onvoltooid, deelwoord |
| glooit | tegenwoordige tijd |
| had geglooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geglooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geglooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geglooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geglooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geglooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geglooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geglooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geglooid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geglooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geglooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geglooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geglooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geglooid | verleden tijd, deelwoord |
| heeft geglooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geglooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te glooien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geglooid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen glooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geglooid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geglooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geglooid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal glooien | toekomende tijd |
| zal glooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal glooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal glooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geglooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geglooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geglooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou glooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou glooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou glooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geglooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geglooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geglooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden glooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden glooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden glooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geglooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt glooien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geglooid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geglooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geglooid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen glooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen glooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen glooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen glooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geglooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult glooien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘met een flauwe helling aflopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1640
Woordfamilie van glooien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geglooid | voltooid deelwoord | glooien |
| glooi | gebiedende wijs | glooien |
| glooide | verleden tijd | glooien |
| glooiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | glooien |
| glooie | aanvoegende wijs | glooien |
| glooit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | glooien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van glooien zijn vastgelegd.