gloeien
werkwoordBetekenis
- het verhitten en langzame afkoelen van metaal
- dat licht geven van materiaal wanneer het een zeer hoge temperatuur bereikt
werkwoord
- verhit zijn door (emotionele) opwinding figuratively
- nasmeulen, smeulen
Vervoeging van gloeien
gloeienhele werkwoord — gloeideverleden tijd enkelvoud — gloeidenverleden tijd meervoud — gegloeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gloei | gloeide |
| jij | gloeit | gloeide |
| hij, zij, het | gloeit | gloeide |
| wij | gloeien | gloeiden |
| jullie | gloeien | gloeiden |
| zij | gloeien | gloeiden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gegloeid | verleden tijd, deelwoord |
| gegloeid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegloeid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gloei | gebiedende wijs |
| gloeide | verleden tijd |
| gloeie | aanvoegende wijs |
| gloeiend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegloeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegloeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegloeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegloeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegloeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegloeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegloeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegloeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gloeien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegloeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gloeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gloeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gloeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gloeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gloeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gloeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gloeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gloeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gloeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gloeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegloeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gloeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gloeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gloeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gloeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gloeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegloeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gloeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘door verhitting stralen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Woordfamilie van gloeien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegloeid | voltooid deelwoord | gloeien |
| gloei | gebiedende wijs | gloeien |
| gloeide | verleden tijd | gloeien |
| gloeiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gloeien |
| gloeie | aanvoegende wijs | gloeien |
| gloeit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gloeien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gloeien zijn vastgelegd.