gezel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- makker, reisgenoot
- middeleeuwse ambachtsman in een gilde die nog niet de rang van meester of baas had verworven
- handwerksman die als knecht onder een baas werkt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gezellen | meervoud |
| gezelletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gezelletjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘makker’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Woordfamilie van gezel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezellen | meervoud | gezel |
| gezelletje | verkleinwoord | gezel |
| gezelletjes | verkleinwoord meervoud | gezel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gezel zijn vastgelegd.