gerucht
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ɣə'rɵxt/Betekenis
- lawaai; een klein geluid
- een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
Hoe spreek je gerucht uit?
/xəˈrɵxt/
Gerucht bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| r | rood |
| ɵ | put |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| geruchten | meervoud |
| geruchtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| geruchtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van ruchten
Vervoeging van gerucht
geruchthele werkwoord
Herkomst
zn van Middelnederlands geruchte / gheruchte, in de betekenis van ‘geluid’ aangetroffen vanaf 1200
Woordfamilie van gerucht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geruchten | meervoud | gerucht |
| geruchtje | verkleinwoord | gerucht |
| geruchtjes | verkleinwoord meervoud | gerucht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gerucht zijn vastgelegd.