gerstekorrel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- zaadkorrel van gerst
- wit gezwelletje aan het ooglid door verstopping van de talgklier|talg- of zweetklier|zweetklieren
- zeker patroon in breisteek
- zekere soort van wit weefsel, genoemd naar het erin geweven patroon
zelfstandig naamwoord — masculine
- wit gezwelletje aan het ooglid door verstopping van de talg- of zweetklieren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gerstekorrels | meervoud |
| gerstekorreltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gerstekorreltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘gezwelletje aan ooglid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1871
Woordfamilie van gerstekorrel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerstekorrels | meervoud | gerstekorrel |
| gerstekorreltje | verkleinwoord | gerstekorrel |
| gerstekorreltjes | verkleinwoord meervoud | gerstekorrel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gerstekorrel zijn vastgelegd.