genoot
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een gelijke
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| genootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| genootjes | verkleinwoord, meervoud |
| genoten | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van genieten
Vervoeging van genoot
genoothele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘deelgenoot, makker’ voor het eerst aangetroffen in 776
Woordfamilie van genoot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genootje | verkleinwoord | genoot |
| genootjes | verkleinwoord meervoud | genoot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van genoot zijn vastgelegd.