garnizoen
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de bezettende macht van stad of vesting en alle personen die daarbij horen
- een legermacht met een stad of vesting als thuisbasis
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| garnizoenen | meervoud |
| garnizoentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| garnizoentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘legerafdeling’ voor het eerst aangetroffen in 1695
Woordfamilie van garnizoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| garnizoenen | meervoud | garnizoen |
| garnizoentje | verkleinwoord | garnizoen |
| garnizoentjes | verkleinwoord meervoud | garnizoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van garnizoen zijn vastgelegd.