funderen
werkwoordBetekenis
- een fundering aanbrengen
- overdrachtelijk een stel beweegredenen formuleren die als grondslag van iets dienen
werkwoord
- een stel beweegredenen formuleren die als grondslag van iets dienen figuratively, transitive
Vervoeging van funderen
funderenhele werkwoord — fundeerdeverleden tijd enkelvoud — fundeerdenverleden tijd meervoud — gefundeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fundeer | fundeerde |
| jij | fundeert | fundeerde |
| hij, zij, het | fundeert | fundeerde |
| wij | funderen | fundeerden |
| jullie | funderen | fundeerden |
| zij | funderen | fundeerden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gefundeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefundeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefundeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefundeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefundeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefundeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefundeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefundeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| fundeer | gebiedende wijs |
| fundeerde | verleden tijd |
| fundere | aanvoegende wijs |
| funderend | onvoltooid, deelwoord |
| gefundeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gefundeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefundeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefundeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefundeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefundeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefundeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefundeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefundeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefundeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefundeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefundeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefundeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefundeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefundeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefundeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefundeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefundeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefundeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefundeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefundeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefundeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefundeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefundeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefundeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefundeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gefundeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te funderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefundeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen funderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gefundeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gefundeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gefundeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gefundeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gefundeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gefundeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal funderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal funderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal funderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefundeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefundeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefundeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gefundeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gefundeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gefundeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou funderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou funderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou funderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefundeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefundeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefundeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gefundeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gefundeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden funderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden funderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden funderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefundeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefundeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefundeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefundeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefundeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt funderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefundeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen funderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen funderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen funderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen funderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefundeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefundeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefundeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefundeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefundeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult funderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefundeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘grondvesten’ voor het eerst aangetroffen in 1331
Woordfamilie van funderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fundeer | gebiedende wijs | funderen |
| fundeerde | verleden tijd | funderen |
| fundeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | funderen |
| fundeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | funderen |
| fundere | aanvoegende wijs | funderen |
| gefundeerd | voltooid deelwoord | funderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van funderen zijn vastgelegd.