fuga
zelfstandig naamwoord ˈfyɣaBetekenis
- meerstemmig muziekstuk met veelvuldige herhaling van het hoofdthema
- vlucht, ontsnapping
- lek
- hoogtepunt
- fuga
Hoe spreek je fuga uit?
/ˈfyxa/
Fuga bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| y | fuut |
| x | acht |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fuga's | meervoud |
| fugaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fugaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘meerstemmig stuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1739
Woordfamilie van fuga
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fuga's | meervoud | fuga |
| fugaatje | verkleinwoord | fuga |
| fugaatjes | verkleinwoord meervoud | fuga |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fuga zijn vastgelegd.