frustreren
werkwoordBetekenis
- belemmeren in de verwezenlijking van zijn verwachtingen of behoeften
- dwarsbomen, verijdelen
Vervoeging van frustreren
frustrerenhele werkwoord — frustreerdeverleden tijd enkelvoud — frustreerdenverleden tijd meervoud — gefrustreerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | frustreer | frustreerde |
| jij | frustreert | frustreerde |
| hij, zij, het | frustreert | frustreerde |
| wij | frustreren | frustreerden |
| jullie | frustreren | frustreerden |
| zij | frustreren | frustreerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gefrustreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gefrustreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gefrustreerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gefrustreerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gefrustreerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gefrustreerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gefrustreerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gefrustreerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gefrustreerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gefrustreerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| frustreer | gebiedende wijs |
| frustreerde | verleden tijd |
| frustrere | aanvoegende wijs |
| frustrerend | onvoltooid, deelwoord |
| gefrustreerd | verleden tijd, deelwoord |
| gefrustreerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefrustreerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gefrustreerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefrustreerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefrustreerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefrustreerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefrustreerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gefrustreerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefrustreerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gefrustreerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefrustreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefrustreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefrustreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefrustreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefrustreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefrustreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefrustreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefrustreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefrustreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefrustreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefrustreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefrustreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefrustreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefrustreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefrustreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gefrustreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gefrustreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te frustreren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefrustreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen frustreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gefrustreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefrustreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gefrustreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gefrustreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gefrustreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gefrustreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gefrustreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gefrustreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gefrustreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gefrustreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gefrustreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gefrustreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gefrustreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gefrustreerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gefrustreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gefrustreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gefrustreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gefrustreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gefrustreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gefrustreerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal frustreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal frustreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal frustreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefrustreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefrustreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefrustreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gefrustreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefrustreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gefrustreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefrustreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gefrustreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gefrustreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gefrustreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gefrustreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou frustreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou frustreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou frustreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefrustreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefrustreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefrustreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gefrustreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefrustreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gefrustreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefrustreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefrustreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefrustreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden frustreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden frustreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden frustreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefrustreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefrustreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefrustreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefrustreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gefrustreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gefrustreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gefrustreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefrustreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefrustreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt frustreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefrustreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gefrustreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gefrustreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen frustreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen frustreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen frustreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen frustreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefrustreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefrustreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefrustreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefrustreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gefrustreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gefrustreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gefrustreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefrustreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefrustreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult frustreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefrustreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gefrustreerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gefrustreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘dwarsbomen’ voor het eerst aangetroffen in 1518
Woordfamilie van frustreren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| frustreer | gebiedende wijs | frustreren |
| frustreerde | verleden tijd | frustreren |
| frustreerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | frustreren |
| frustreert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | frustreren |
| frustrere | aanvoegende wijs | frustreren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van frustreren zijn vastgelegd.