foyer
zelfstandig naamwoord fwɑˈjeBetekenis
- verzamelplaats, zaal voor de verpozing (bijvoorbeeld in een hotel of schouwburg)
- koffiekamer in openbare gebouwen
- haard, haardvuur
- (pars pro toto)
- (pars pro toto) centrale ontmoetingszaal, (van een schouwburg, hotel, enz.)
- brandpunt, focus
- (van een ziekte-uitbraak, epidemie, e.d.)
- centrum, gebied met de hoogste bevolkingsdichtheid
- (voor kinderen)
Hoe spreek je foyer uit?
/fwɑˈje/
Foyer bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| j | ja |
| e | veel |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| foyers | meervoud |
| foyertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| foyertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans foyer een “verwarmde ontmoetingszaal voor de toeschouwers, de artiesten, enz. (in een hotel, schouwburg)” **[1] Oorspronkelijk was de foyer een ruimte die van de koffiekamer gescheiden was, in die betekenis voor het eerst aangetroffen in 1805 (zie vindplaats hieronder). **[2] In de huidige betekenis als synoniem van “koffiekamer” , voor het eerst aangetroffen in het jaar 1885.
Woordfamilie van foyer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| foyers | meervoud | foyer |
| foyertje | verkleinwoord | foyer |
| foyertjes | verkleinwoord meervoud | foyer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van foyer zijn vastgelegd.