forfait
zelfstandig naamwoord fɔrˈfɛBetekenis
- term in het Nederlands belastingrecht die wordt gebruikt om aan te duiden dat in een bepaald geval niet de werkelijke situatie, maar een veronderstelde situatie de heffingsgrondslag vormt voor belasting
- afwezig zijn
- misdaad, misdrijf
- vast bedrag, vaste prijs, van tevoren afgesproken tarief
- (in vrije of zelfstandige beroepen) vaststelt.
- (van cadeaubonnen, telefonie e.d.) tegoed, telefoonabonnement
- (in ski-gelegenheden) document dat het gebruik van de skiliften toestaat
- (noodgedwongen) afwezigheid van een deelnemer of speler
Hoe spreek je forfait uit?
/fɔrˈfɛ/
Forfait bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| forfaitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| forfaitjes | verkleinwoord, meervoud |
| forfaits | meervoud |
Herkomst
van Frans forfait, in de betekenis van ‘vast bedrag’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van forfait
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| forfaitje | verkleinwoord | forfait |
| forfaitjes | verkleinwoord meervoud | forfait |
| forfaits | meervoud | forfait |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van forfait zijn vastgelegd.